NEWS

30.09.2017 : opendeurdag Wommelgem, Vorst en Floriffoux

Verder lezen

WETGEVENDE TEKSTEN

Wanneer men dieren houdt, ongeacht de soort, moet u weten dat er twee types wetgeving van toepassing zijn op de houder.

Het eerste type van wetgeving is van burgerlijke aard en heeft te maken met de verantwoordelijkheid van de houder van het dier ten aanzien van derde partijen. Het tweede type wetgeving is van strafrechtelijke aard en heeft betrekking op de verplichtingen van de houder inzake de dieren in zijn bezit, maar ook op de verplichtingen van iedereen in verband met dieren in het algemeen.

Wetgeving inzake dieren

Mijn rechten stoppen en mijn verplichtingen vangen aan, waar de rechten van anderen beginnen. De niet-naleving van deze regel houdt in dat men aansprakelijk kan gesteld worden op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek dat vermeldt dat “Elke daad van de mens waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, verplicht degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden.”

Deze regel werd overgebracht op het houden van dieren. Het is een onderdeel van ons rechtssysteem: het dier maakt deel uit van het patrimonium van zijn eigenaar. Dus de respectievelijke rechten en plichten van elkeen gaven aanleiding tot een specifieke regeling van de burgerlijke aansprakelijkheid voor het houden van dieren. Dit wordt samengevat in artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek, waarin staat dat " De eigenaar van een dier, of, terwijl hij het in gebruik heeft, degene die zich ervan bedient, is aansprakelijk voor de schade die door het dier is veroorzaakt, hetzij het onder zijn bewaring stond, dan wel verdwaald of ontsnapt was." Deze regel geldt voor alle dieren. Dus niet alleen voor onze traditionele huisdieren (honden en katten), maar voor alle dieren die kunnen gehouden worden, en hierbij horen de “nieuwe soorten gezelschapsdieren”, alle hoevedieren, paarden…, en zelfs bijen. Deze lijst beperkt zich uiteraard niet tot deze soorten!

Het is de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn van de dieren die de verplichtingen van iedereen die dieren houdt, definieert.

De essentie van deze wet komt tot uiting in artikel 4, waarin de voorwaarden van de detentie van dieren bepaald worden. Deze bepaling luidt als volgt:

“ § 1. Ieder persoon die een dier houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, moet de nodige maatregelen nemen om het dier een in overeenstemming met zijn aard, zijn fysiologische en ethologische behoeften, zijn gezondheidstoestand en zijn graad van ontwikkeling, aanpassing of domesticatie, aangepaste voeding, verzorging en huisvesting te verschaffen.

§ 2. Niemand mag de bewegingsvrijheid van het dier dat hij houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, zodanig beperken dat het aan vermijdbare pijnen, lijden of letsels is blootgesteld. Wanneer een dier gewoonlijk of voortdurend wordt vastgemaakt of opgesloten, moet het voldoende ruimte en bewegingsvrijheid krijgen, in overeenstemming met zijn fysiologische en ethologische behoeften. [1 § 2/1. De paardachtigen die buiten worden gehouden, kunnen opgestald worden of, indien dit niet het geval is, beschikken over een natuurlijke beschutting of een schuilhok.]1

§ 3. De verlichting, de temperatuur, de vochtigheidsgraad, de verluchting, de luchtcirculatie en de overige milieuvoorwaarden van het verblijf der dieren moeten overeenstemmen met de fysiologische en ethologische behoeften van de soort.

§ 4. Ter uitvoering van §§ 2 en 3, en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk VIII kan de Koning voor de verschillende soorten en categorieën van dieren nadere regelen stellen.

§ 5. De in artikel 33 bedoelde overheidspersonen zijn gemachtigd de nodige maatregelen te treffen of op te leggen om de verplichtingen voortvloeiend uit de § § 1, 2, 3 en 4 onverwijld te doen naleven.”

De wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn van de dieren is een kaderwet. Ondertussen werden er al vele Koninklijke Besluiten gemaakt die de regeling van specifieke situaties beogen. Het is hier niet onze bedoeling deze te analyseren.